Living-Lab 2018-19: de erfenis van de bouwwoede en de renovatie-opgave


De Universiteit Gent kende een sterke groei in de eerste decennia na de tweede wereldoorlog. Dit leidde rechtstreeks tot een sterke aangroei van het gebouwd patrimonium. Een aanzienlijk deel van dit patrimonium werd gebouwd voor de energiecrisis. De gebouwen zijn vaak slecht geïsoleerd en bevatten verouderde energietechnologie. Dit patrimonium is een halve eeuw oud en is vandaag ook los van het energievraagstuk aan renovatie toe.

De universiteit werkt op dit moment aan een ambitieus investeringsplan om dit patrimonium duurzaam te renoveren. Hoewel dit een eenvoudige operationele vraag lijkt, is de complexiteit bij nader inzien groot. Het gaat om patrimonium van allerlei aard dat zich niet leent voor een passe-partout aanpak. Bovendien zijn allerlei denkrichtingen mogelijk. Men kan ervoor kiezen om een gebouw te renoveren in de huidige vorm in functie van het huidig gebruik. Maar men kan ook abstractie maken van dit huidig gebruik. Men kan er ook voor kiezen om een gebouw af te breken en anders te herbouwen, mogelijks compacter en aan hogere dichtheden. Tegelijk kan het wenselijk zijn om gebouwen van de hand te doen, of te ruilen met andere partners.

Het patrimonium uit de jaren 60 en 70 stelt ook specifieke bouwtechnische uitdagingen. Vele gebouwen kennen gebruik van zichtbeton, inclusief vele thermische bruggen. Tegelijk bepaalt de wijze van constructie de architecturale eigenheid en is het vanuit esthetisch oogpunt niet voor de hand liggend om de gebouwen zomaar in te pakken en de bestaande structuur te verbergen achter een isolatiepakket. Ook hier geldt dat maatwerk noodzakelijk zal zijn om tot de juiste afstemming tussen technische randvoorwaarden en ontwerpkeuzes te komen.

De renovatieopgave is niet alleen een kwestie van infrastructuur en techniek, maar is ook een uitdagend beheersvraagstuk. Operationeel, in die zin dat de verandering in overleg zal moeten plaats vinden met de huidige en toekomstige gebruikers van dit patrimonium. Meer zelfs, die gebruikers vormen een belangrijke sleutel voor het verbeteren van de duurzaamheid. Maar daarnaast speelt beheer een belangrijke rol om anders met infrastructuur om te gaan. Wil een universiteit nog lampen kopen of wil het licht (‘pay per lux’)? Wil het verwarmingstoestellen of wil het comfort in de gebouwen? Deze nieuwe paradigma’s stellen grote vragen over de rol van de huidige partijen die het beheer van de gebouwen waarneemt. Maar op een meer fundamenteel niveau is ook nog niet beantwoord hoe wenselijk de introductie van dergelijke concepten is. Veel zal afhangen van de wijze waarop dit gebeurt, en vooral met welke partners.

In de meest ingrijpende scenario’s waarin gebouwen of grondposities worden geruild, infrastructuur met andere partners wordt gedeeld, etc. stelt het renovatievraagstuk de universiteit voor heuse bestuurlijke uitdagingen. Welke nieuwe bestuurlijke arrangementen zijn nodig om de samenwerking rond warmtenetten, rond wijkparkeren, rond integrale mobiliteit, etc. mogelijk te maken en zo de campussen van de universiteit op te laten gaan in de stedelijke deeleconomie van morgen. Hoe kan de universiteit daar voordeel aan ontlenen, mogelijks oplossingen vinden voor de budgettaire krapte, en participeren in de brede stedelijke duurzaamheidstransitie?

Dit onderwerp wordt begeleid door medewerkers van de Dienst Gebouwen en Facilitair Beheer en de Milieudienst van de universiteit alsook het Team van de Gentse stadsbouwmeester.

Trekkers: Michiel Dehaene – Maarten Vandendriessche – Riet Vandevelde – Lina Avet – Ellen Lauwereys
Contact: Michiel.Dehaene@ugent.be