Ongelijkheid in mobiliteit/bereikbaarheid
academiejaar: 2021-2022
docent(en): Freke Caset en Corneel Casier (UGent - vakgroep Geografie), Koos Fransen (UGent, Vakgroep Industriële Systemen en Productontwerp en Vrije Universiteit Brussel, Cosmopolis) en Eva van Eenoo (Vrije Universiteit Brussel, Cosmopolis) – met het oog op de opstart van dit masterproefatelier naar volgend academiejaar toe zal deze lijst verder uitbreiden

‘Bereikbaarheid’ is een begrip dat in beleidsvisies op allerhande bestuurlijke en geografische schaalniveaus wereldwijd een steeds prominentere rol lijkt te krijgen. Daarnaast zijn er ook vele interpretaties van het begrip mogelijk. Bereikbaarheid – of breder, toegang – gaat verder dan het fysiek kunnen bereiken van locaties, maar handelt ook over kansen, barrières en onrechtvaardigheid.

Het inzicht dat plannen voor méér automobiliteit geen wondermiddel is om maatschappelijke noden zoals het kunnen bereiken van plekken te realiseren (en evengoed een scala aan erg nadelige effecten met zich kan meebrengen), is intussen gerijpt. Het verbreden van wegen zorgt níet voor minder files (cf. onderzoek naar geïnduceerd verkeer), snellere en grotere wagens zoals SUV’s versterken de verkeersonveiligheid in een stedelijke context, grote stadssnelwegen in dichtbevolkte gebieden, zoals het Gentse B401-viaduct (“fly-over”), leggen een gigantisch beslag op de openbare ruimte en belasten de omgevingskwaliteit, … Bovendien worden niet alleen besturen, maar ook organisaties en burgers mondiger over de externaliteiten die de heersende autodominantie veroorzaakt.

Het inzicht dat plannen voor mobiliteit niet los van ruimtelijk plannen kan gezien worden, vindt ondertussen ook steeds vaker weerklank in stedelijke beleidsvisies. Plannen voor mobiliteit is zinledig wanneer mobiliteit geen toegang biedt, aangezien deze toegang minstens even sterk bepaald wordt door de geografie van bestemmingen in het stedelijke weefsel. Een dense en bovendien diverse buurt met allerlei voorzieningen, werkplekken en woningen biedt theoretisch gezien het meeste potentieel om zonder al te veel tijdverlies en op een duurzame wijze dagelijkse trips te accommoderen. Indien die buurt dan ook nog eens dooraderd is met duurzame mobiliteitsinfrastructuur en -diensten (hoogfrequent openbaar vervoer, verbindende fietsbruggen en fietsstraten, autodelen, …), dan lijkt een transitie richting een écht duurzame mobiliteit en ruimtegebruik een natuurlijke uitkomst.

Maar klopt dit droombeeld, deze ‘imaginary’ of dit mantra van de bereikbare of nabije stad, wel steeds, overal en voor iedereen? Bij uitstek in coronatijden vol lockdowns, avondklokken en afstand lijkt deze vraag relevanter dan ooit. Zo werd in verschillende steden wereldwijd (zoals Brussel, Parijs of Melbourne) recent het concept van de ‘10/15/20-minuten stad’ (op 10/15/20 minuten wandelen of fietsen alle essentiële functies kunnen bereiken) hoog op de agenda gezet. Maar, verzilvert deze beleidsvisie ook de duurzaamheidsambities in de praktijk? Hoe beinvloedt deze beleidsvisie stedelijke vastgoeddynamieken? Wordt er voldoende rekening gehouden met maatschappelijke vraagstukken over diversiteit, inclusie en rechtvaardigheid, en met de relaties die bestaan tussen ‘amenity improvement’ onder een neoliberale impuls en sociale verdringingseffecten? Wie heeft de mogelijkheden en middelen om de vruchten van deze verhoogde, duurzame, bereikbaarheid te plukken? …

Deze en andere vragen m.b.t. sociale dispariteit in de context van stedelijke bereikbaarheid worden niet steeds even expliciet gesteld bij het vormgeven, implementeren en monitoren van ‘duurzaam’ stedelijk beleid. Althans, dat durven wij vermoeden. We stellen ons vragen als: zijn er belangrijke fricties te ontwaren tussen droom en dispariteit? (Hoe) kunnen we ruimtelijke patronen van ongelijkheden in mobiliteit en bereikbaarheid in kaart brengen? Welke dynamieken van dispariteit worden niet of onvoldoende gecapteerd in huidig beleid? (Hoe) kan de niet te onderschatten urgente uitdaging om onze mobiliteit drastisch te verduurzamen een positief verhaal zijn voor elke inwoner van Gent en omgeving? (Hoe) kunnen we deze vraagstellingen op inter- en transdisciplinaire wijze aanpakken? Welke internationale voorbeelden brengen geslaagde en minder geslaagde verhalen die ook de Gentse case kunnen ondersteunen?

Bovenstaande vragen kunnen relevant zijn in de context van verschillende problematieken die zich stellen binnen de context van stedelijke bereikbaarheid. Ter voorbereiding van de beoogde opstart van dit masterproefatelier vanaf het academiejaar 2021-2022 verkennen wij momenteel samen met stedelijke en academische actoren hoe we deze overkoepelende vraagstelling verder vorm kunnen geven en in meer concrete onderzoeksdoelstellingen kunnen vertalen. Via dit platform houden we u alvast op de hoogte van het verdere verloop en toekomstige activiteiten in de context van dit atelier. Aarzel niet om ons te contacteren!

Contact:

Freke Caset (freke.caset@ugent.be)

Koos Fransen (koos.fransen@ugent.be)

Corneel Casier (corneel.casier@ugent.be)

Eva van Eenoo (eva.Van.Eenoo@vub.be)